|
‘Het demonstratierecht is een groot goed.’ Je hoort het vaak tegenwoordig, uit monden van ministers, burgemeesters en andere hoogwaardigheidsbekleders. Iedereen lijkt het erover eens. Zelfs de VVD. Zelfs Marco Kroon. Je zou bijna denken dat het demonstratierecht in Nederland niets te vrezen heeft. Helaas is dat niet waar. Deze woorden zijn meestal een opmaat naar het woord 'maar', gevolgd door een mening of argument dat niet valide is en in elk geval niets te maken heeft met het demonstratierecht. Maar. Niet zo. Niet nu. Zeker niet op Pasen. Niet op Koningsdag. Niet op 4 mei. Niet op 5 mei. En liefst netjes op het Malieveld of op een andere plek waar niemand je hoort of ziet. Waar niemand last van je heeft. Hadden deze mensen zich in het demonstratierecht verdiept, dan zouden ze weten dat daarin nou juist alle ruimte wordt gelaten aan demonstranten om zelf te kiezen wanneer waar en hoe ze willen demonstreren.
Wie het waagt om toch te gaan demonstreren krijgt een hele reeks etiketten opgeplakt. Een kleine bloemlezing: klimaatdrammer, ecoterrorist, antisemiet, hamas-hoer, hamas-terrorist, crimineel, delinquent (die laatste term is van VVD-Kamerlid Ingrid Michon, die vergat in het woordenboek op te zoeken wat het betekent). Het blijft niet bij woorden. Met regelmaat worden vreedzame demonstranten in opdracht van een burgemeester in elkaar geslagen door de politie. Omdat ze het laatste stukje van de A12 blokkeren om de regering op te roepen zich aan haar eigen klimaatdoelen te houden. Omdat ze een Palestijnse vlag ophouden tijdens de dodenherdenking op de Dam waar regeringsleiders met een uitgestreken smoel verkondigen dat iets 'nooit meer' mag gebeuren wat op dat moment onder hun ogen en met hun steun opnieuw gebeurt. Omdat ze willen dat hun universiteit de banden verbreekt met een genocidaal regime. Begin mei raakten in Den Haag tientallen studenten gewond door politiegeweld en werden er 5 bewusteloos geslagen. Een dag later werd er in Nijmegen een student gebeten door een politiehond, waarna hij geopereerd moest worden. Terwijl een van de Haagse studenten in het huis van een kennis herstelt van een hersenschudding en vele blauwe plekken, breekt mijn hart van de oorverdovende stilte over deze gebeurtenissen. Waar blijft de ophef? Er worden vreedzame demonstranten in elkaar getimmerd door de politie. Studenten. Jonge mensen. Politici moedigen het geweld aan en in plaats van het politiegeweld terugdringen, willen ze het demonstratierecht inperken. Nogmaals: waar blijft de verontwaardiging? De media besteden er nauwelijks aandacht aan. Het publiek haalt zijn schouders op. Of lijkt het zelfs oké te vinden dat we langzaam veranderen in een politiestaat waar vreedzame demonstranten door politiegeweld worden tegengehouden. Ze lijken zich drukker te maken over de incidentele schade die veroorzaakt werd tijdens bezettingen. ‘Ja maar, graffiti in het Maagdenhuis!’, lees ik op social media. Even kijken hoor. Graffiti - genocide Graffiti - genocide Ja, dat is inderdaad lastig. En nee ik keur die vernielingen niet goed. Maar ik vind het vooral een teken dat demonstranten beter gefaciliteerd moeten worden. Dat er naar ze geluisterd moet worden, met ze gesproken. En misschien helpt het ook om geen politiemacht op ze af te sturen. Bovendien zijn vernielingen aan een gebouw toch zeker geen reden voor politiegeweld? De lijfstraffen zijn in Nederland echt allang afgeschaft. Afgelopen zondag liep ik naar huis na een koorrepetitie waar we mensenrechtenliederen hadden gezongen die we komende zondag gaan zingen bij de Rode Lijn. Met de liedjes nog in mijn hoofd liep ik de Passage binnen, een chique overdekte winkelstraat in Den Haag. Er bleek een evenement te zijn. Over de hele lengte van de gangen stonden lange gedekte tafels met etagères met lekkers erop. Aan de tafels zaten feestelijk uitgedoste mensen te luisteren naar de zojuist aangekondigde spreker. De eigenaar van de Passage, een investment banker vertelde vanaf een podium over deze moederdag-viering ter ere van het zoveeljarig bestaan van zijn winkelstraat. Ik liep langs de tafels in de richting van het podium, want dat lag op mijn route naar huis. En daar zag ik hem: de burgemeester van Den Haag. Potsierlijk naast een enorme rode ballon. Als een klein soldaatje stond hij te wachten tot hij zijn speech mocht houden. Jan van Zanen, die hem onwelgevallige demonstraties graag 'ontwrichtend' noemt (ik schreef daar eerder een essay over). Jan van Zanen, die deze demonstraties vervolgens beperkt, verbiedt en met grof geweld beëindigt, terwijl er geen enkele aanwijzing is dat deze daadwerkelijk ontwrichtend waren. Jan van Zanen, in wiens opdracht ik veelvuldig met zeer gewelddadig politieoptreden te maken heb gehad. Jan van Zanen, die er geen benul van heeft wie die vrouw is die al neuriënd voorbij liep en nu naast het podium stil is blijven staan. Nou vind ik taart een groot goed. Ik ben echt dol op een high tea. Maar. Niet vandaag. Niet op Moederdag, terwijl niet zo heel ver weg moeders hun graatmagere baby’s niet kunnen voeden omdat ze worden uitgehongerd. Niet in Den Haag, stad van vrede en recht, zetel van het Internationaal Gerechtshof. Niet in een chique winkelcentrum op steenworp afstand van het binnenhof waar (nu tijdelijk vanwege de verbouwing even niet) onze regering zetelt die de genocide in gaza onvoorwaardelijk steunt. Wat ontzettend ongepast. ‘Dames en heren, ik geef het woord aan onze burgemeester Jan van Zanen.’ Terwijl hij het podium opstapt roep ik lang en hard ‘boe!’.
0 Comments
Leave a Reply. |
Beluister enkele van mijn blogs ook als audioblog op mijn podcast.
|