Afpellen

Het is de vraag of dit wel de bedoeling is. Of ik hier nu
moet zitten: achter dit bureau, bijtend op deze lip
onder vurig contactlensloos herfstoranje. Of ik nu
deze woorden schrijven moet. Het is de vraag
of ik de stem ben in mijn hoofd, of die er
luistert of die het luisteren bemerkt. Het is de vraag wie
ik nog ben, als ik geen vrouw dochter zus tante schrijver ondernemer
kant noch vis, of ik overblijf zonder verleden
en verschiet, enkel gebeur in dit moment. Het is de vraag
waar in mijn lichaam ik vertoef: als ik mijn voet
een hand, een been, arm, romp, als ik mij deel
voor deel ontmantel, wanneer ik dan mezelf verliezen zal. En of ik voortbesta
na bast en dood en of ik dan mijzelf tegenkom. Het is de vraag
of ik wel schrijver ben
van dit gedicht en over wie
het eigenlijk gaat.

