Dank aan de mannen
Dank aan de mannen die naast ons staan. Die samen met ons de nacht opeisen. Die met ons ervoor strijden dat vrouwen veilig over straat kunnen gaan. Veilig in het donker naar huis kunnen fietsen.
Dank aan de burgemeester van Den Haag die een meldpunt heeft ingericht waar ik onveilige plekken kan melden. Verlaten fietstunnels, donkere bosjes.
En toch. Er is meer nodig.
Er zijn zaken die een snoeischaar of lantarenpaal niet kunnen oplossen.
Dank aan de mannen die verder gaan. Die met fakkels en vuurpijlen rotondes bezetten. Om een grens te trekken. Dank ook namens mijn schoonmoeder. Ze woont in Apeldoorn. Waar de gemeente meer dan honderd alleenstaande mannen wilde huisvesten. Naast een school. Naast kwetsbare kinderen. Zij fietste over de rotonde waar jullie stonden. Haar ogen prikten van de rook maar ook van ontroering.
In Loosdrecht komen er nu 70 in plaats van 110. Dat is 40 keer minder over mijn schouder kijken. 40 keer minder mijn sleutelbos tussen mijn vingers klemmen.
En toch. Er is meer nodig.
Er zijn zaken die een fakkel of vuurpijl niet kunnen oplossen.
Dank aan de mannen die nog verder gaan. Die doorlopen naar het gemeentehuis. Daar de heg in brand steken. Stenen gooien. De brandweer tegenhouden. De man uit Huizen. De jongen uit Kortenhoef. De jongen uit Amersfoort. Dank dat jullie blijven komen.
En toch. Er is meer nodig.
Er zijn zaken die vuur en stenen niet kunnen oplossen
Er woont een gezin aan het einde van mijn straat, ze zijn hier in 2019 gekomen. Ik weet niet waarvandaan. Ik weet niet wat hun status is. Ze lijken me wel aardig maar ik weet het niet zeker. De man is overdag vaak thuis. Er staat een hele grote televisie in de woonkamer.
En de jongen van de groente-afdeling bij mijn Albert Heijn, de voorverpakte roerbakmixen zijn daar vaak over de datum. De kruidenpotjes staan verkeerd in het schap, ik heb me laatst rot gezicht naar een potje salie. Ik vond het op de plek van de basilicum. Kent hij de taal wel. Is hij wel ingeburgerd. Houdt iemand dat in de gaten.
En toch.
Het was op een schoolfeest. In 1993. Ik was vijftien, hij zeventien. Ik had te veel gedronken. Ik kon hem niet van me afduwen. Hij heet Sjoerd. Misschien kunnen jullie toch iets doen.


