De dag ervoor
Ik ben om 8 uur weggegaan, zeg ik met stelligheid
Mijn trein, ik ben er zeker van, vertrok die dag op tijd
Ik moet de ochtendkrant hebben gelezen in de trein
En bij het hoofdartikel zal op mijn gezicht een frons verschenen zijn
Ik moet rond 9 uur gearriveerd zijn op kantoor
Waar mailtjes en vergaderingen wachtten op mijn luisterende oor
Een lunch met brood en soep om half 1 ongeveer
dezelfde plek dezelfde groep
Maar bovenal ben ik vrij zeker dat de zon niet scheen
De dag voor jij verscheen
(…)
’t Is grappig, maar ik had geen weet van leegte om me heen
De dag voor jij verscheen

