Make Vrijheid Great Again
Of waarom echte vrijheid nooit gezellig is
In de aanloop naar Bevrijdingsdag en mijn groeiende ongemak daarbij, typ ik het woord ‘vrijheid’ in bij een online woordenboek.
de vrijheid zelfst.naamw. (v.); uitspraak [’vrɛihɛit]; afbreekpatroon vrij·heid; verbuigingen vrijheden (meerv.).
toestand dat iemand/iets vrij is
Daarna zoek ik het woord ‘vrij’ op:
vrij bijv.naamw. Uitspraak:[vrɛi]
(van iets/iemand) niet beperkt in zijn of haar beweging, mogelijkheden, gebruik enz.
Vrijheid is volgens het woordenboek dus een toestand die gekenmerkt wordt door de afwezigheid van belemmeringen. Kan een mens dan ooit vrij zijn? Er zijn toch altijd beperkingen: een pijnlijke knie, geen geld voor een nieuwe jas, te weinig betaalbare woningen, zwaartekracht. Voor sommige mensen is de Belastingdienst een belemmering. Voor anderen het kapitalisme of de hond van de buren.
Wat vieren we dan precies op 5 mei?
Volgens de website van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, dat de nationale dodenherdenking en bevrijdingsdag organiseert, vieren we ‘de bevrijding’ en ‘dat we in een open, vrije en democratische rechtsstaat leven’.
Het comité zegt veel mooie dingen over vrijheid maar een heldere definitie ontbreekt. Ze plaatsen vrijheid nadrukkelijk in de context van verbondenheid, de democratische rechtsstaat en verantwoordelijkheid. Voor het comité is vrijheid geen losstaand, individualistisch begrip, maar iets wat we samen dragen, wat we actief moeten beschermen via onze democratische instituties, en wat onlosmakelijk verbonden is met rechtvaardigheid en medemenselijkheid. Er is een publiekscampagne ‘om de actieve betrokkenheid bij 4 en 5 mei te vergroten: door mensen niet alleen bewust te maken, maar hen ook aan te sporen om zelf iets te doen voor onze vrijheid.’ Het motto van deze meerjarige campagne is:
‘Maak vrijheid GROOT’.
(Make Vrijheid Great Again?)
Los van mijn eerste associatie met een rode pet, is het een mooi motto. Maar hoe brengen we dat in de praktijk? Hoe maken we de vrijheid groot?
Voor het comité gaat dit over samen aan tafel zitten tijdens zogenoemde ‘vrijheidsmaaltijden’, feesten op bevrijdingsfestivals en de dialoog zoeken. Hierbij kiezen ze er nadrukkelijk voor een podium te geven aan ‘verbinders’ en ‘stemmen uit het brede midden’.
Waar het comité de nadruk legt op verbondenheid, komt uit het jaarlijkse Nationale Vrijheidsonderzoek onder de bevolking een ander beeld naar voren. Een groeiende meerderheid (67%) vat vrijheid heel pragmatisch op als: ‘iedereen mag doen en laten wat hij wil, zolang hij zich maar aan de wet houdt.’ Tegelijkertijd hecht men aanzienlijk minder belang aan de grondrechten die juist bedoeld zijn om minderheden of afwijkende meningen te beschermen. Tussen 2024 en 2026 daalde de steun voor de vrijheid om te demonstreren (van 76% naar 67%), de vrijheid van religie (van 80% naar 74%) en zelfs het verbod op discriminatie (van 86% naar 82%). Ook het belang dat men hecht aan de Nationale ombudsman is afgenomen (van 70% naar 59% ).
De Nederlander wil dus vooral zelf doen wat hij wil en heeft steeds minder geduld voor de uitingen of protesten van anderen.
**
Het demonstratierecht is een groot goed. Maar.
Volgens het bovengenoemde Vrijheidsonderzoek vindt maar liefst 71% van de Nederlanders dat demonstreren niet thuishoort op een herdenking.
Maar wat als je wilt demonstreren tegen de manier waarop de herdenking plaatsvindt?
Zoals het burgerinitiatief Nooit meer is NU, dat stelt dat herdenken betekenisloos is als we weigeren de verbinding met het heden te maken. Deze mensen vinden het ronduit hypocriet dat we stilstaan bij het verleden, maar tegelijkertijd zwijgen over de slachtoffers van de genocide in Gaza van dit moment. Vorig jaar keerden zij op de Dam zwijgend de rug toe aan toenmalig Kamervoorzitter Bosma, onder meer vanwege zijn openlijke omvolkingstheorieën. Dit jaar riepen ze medestanders op om in stilte een A4’tje met de tekst ‘Nooit meer is nu’ mee te nemen. Ze gaven aan de herdenking niet te willen verstoren en riepen daar dan ook op geen enkele manier toe op.
Toch lees ik op zondag 3 mei een grote kop in De Telegraaf:
‘Activisten grijpen Dodenherdenking op Dam aan voor protest om Gaza en Soedan: “Ze kennen geen schaamte”’. En: ‘Vrees voor verstoring van waardigheid’.
Dit jaar werden de demonstranten al voor de herdenking preventief gearresteerd. De NOS kopte op maandagavond: ‘Twee minuten stilte waardig verlopen, demonstranten weggehaald voor dodenherdenking’, waarmee ze suggereren dat het ‘weghalen’ (een eufemisme voor gewelddadig arresteren) van de demonstranten nodig was voor de waardigheid tijdens de twee minuten stilte.
Wat is er waardig aan het verhinderen van een rechtmatige, vreedzame demonstratie? Wat is er waardig aan de herdenking van een genocide uit het verleden als we op hetzelfde moment een andere genocide helpen uitvoeren?
Wie het waagt zich uit te spreken over deze hypocrisie krijgt te maken met tegenstand. Niet alleen op de Dam.
Dit werd pijnlijk duidelijk toen rapper Sef te horen kreeg dat hij niet langer welkom was als Ambassadeur van de Vrijheid. Hij was wel gevraagd, maar het comité kwam daarop terug. In de documentaire IJsland vertelt Sef wat hem werd gezegd: ‘We hebben een soort richting gekozen dit jaar om met artiesten te werken die een minder uitgesproken mening hebben over internationale conflicten.’ Sefs kritiek op de Israëlische genocide in Gaza paste blijkbaar niet bij een dag die in het teken staat van Nooit meer. ‘Eigenlijk zeggen ze: je mag wel je mening uiten, maar niet als het niet precies de mening is waarvan wij vinden dat die thuishoort op Bevrijdingsdag.’
De harmonieuze, saamhorige vrijheid die het comité voorstaat krijgt voor mij een steeds viezere bijsmaak.
Bevrijdingsdag is een typisch Nederlands, gezellig feestje met bier, muziek, foodtrucks en artiesten die rondvliegen in helikopters. En vooral geen ongemak. Lekker doen wat je wil zolang je je maar aan de wet houdt.
Maar wat als vrijheid schuurt?
Door krampachtig te focussen op stemmen uit het ‘brede midden’ en harmonieuze maaltijden, dempt het comité bewust de meer radicale of boze stemmen, vaak van degenen die juist onvrijheid ervaren.
De benauwende gezelligheid die als een plakkerige laag over de dag ligt maakt me misselijk.
**
Volgens het Nationale Vrijheidsonderzoek is bijna driekwart van de Nederlanders ‘gelukkig en tevreden’. Er is wel een grote kloof: mensen met een migratie-achtergrond ervaren op vrijwel alle vlakken minder vrijheid, terwijl 65-plussers de grootste vrijheid ervaren.
Ondanks de grote tevredenheid over de eigen vrijheid, voelen Nederlanders ook dat hun vrijheid onder druk staat. Bijna driekwart (72%) vindt dat vrijheid steeds minder vanzelfsprekend is en 68% is bang dat we vergeten hoe belangrijk het is.
Volgens het comité wordt onze vrijheid bedreigd door radicalisering, polarisatie, uitsluiting en onrecht. We kunnen haar beschermen door onze democratische instituties te verdedigen, de rechtsstaat te voeden en waakzaam te zijn.
Maar hier wringt het ook.
Want juist de instituties die we volgens het comité moeten versterken (de overheid, de rechtspraak, de politie) zijn voor sommige groepen in de samenleving helemaal geen beschermers van vrijheid, maar een bron van uitsluiting. Denk bijvoorbeeld aan het toeslagenschandaal, etnisch profileren, de aardbevingsschade, de opvang van vluchtelingen en toenemend politiegeweld tegen vreedzame demonstranten. Hier lijkt het comité in haar optimistische gezelligheid geen rekening mee te houden.
Ook de Nederlandse burger heeft weinig oog voor de mensen voor wie vrijheid niet vanzelfsprekend is. Die hecht meer waarde aan gehoorzaamheid aan de wet, wil af van ontregelende demonstraties, en heeft minder geduld voor grondrechten die afwijkende meningen, religies of protesten beschermen.
Dat merk ik dagelijks als ik zie met hoeveel gemak Nederlanders accepteren, soms zelf aanmoedigen, dat onze regering het internationaal recht niet naleeft, demonstratierecht wil inperken en tegen het advies van de Raad van State, Amnesty en zo ongeveer elke maatschappelijke en overheidsorganisatie in Nederland de ‘strengste asielwetten ooit’ wilde invoeren.
Een akelig gevoel bekruipt me.
De Nederlander als comfortabele burger die zich vooral druk maakt om zijn eigen afgebakende vrijheid. En een comité dat in beleidsplannen weliswaar spreekt over ‘gemeenschappelijke vrijheid’, maar in de praktijk vooral bezig is de orde te bewaken.
Beide verkiezen comfort boven schuring.
**
‘We vieren op 5 mei dat we vrij zijn van oorlog en we staan erbij stil dat dat elders in de wereld niet het geval is.’
Schrijft het Nationaal Comité 4 en 5 mei in zijn beleidsplan.
Vanuit een comfortabel leven in vrijheid kijken we naar de rest van de wereld. Oorlog en onvrijheid worden veilig buiten onze landsgrenzen geplaatst. Eventuele bedreigingen voor onze vrijheid worden uitsluitend benoemd in abstracte termen als radicalisering en polarisatie. De ‘pijnlijke kanten van de geschiedenis’ waar we volgens het comité oog voor moet hebben, liggen allemaal geruststellend in het verleden. Vandaag leven we in vrijheid. Oorlogen in het heden worden wel benoemd maar over de rol van Nederland hierin blijft het stil.
Ik herken het gevoel van vrijheid dat het Nationale Vrijheidsonderzoek beschrijft. Een deel van mij vindt het heerlijk om te kunnen doen wat ik wil en verder met rust gelaten te worden.
Maar ik realiseer me ook dat mijn vrijheid een privilege is. Onze manier van leven, onze rijkdom, onze overconsumptie kunnen alleen bestaan in een systeem waarin een groot deel van de wereld wordt uitgebuit ten gunste van een klein, rijk deel dat daarvan profiteert.
Ik zie geen enkele reden om die vrijheid te vieren op een festival of vrijheidsmaaltijd. Of om er een dialoog over te voeren waarin kritische stemmen geen plaats krijgen.
Dus blijf ik thuis. Ik trek de voordeur dicht, maak een haverlatte en zonder me af van de wereld. Schrijf er liever over.
Hoewel ik het comité hun selectieve kijk op vrijheid en oorlog kwalijk neem, kan ik hen niet verantwoordelijk houden voor het egoïsme waarmee de meesten van ons van onze vrijheid genieten. Die selectieve blik wordt ons immers met de paplepel ingegoten.
Als kind had ik een grote interesse in de Tweede Wereldoorlog. Ik had een versimpeld beeld van de oorlog, met duidelijke rollen voor ‘goed’ en ‘kwaad’. Naarmate ik ouder werd kwamen er nuances bij, maar pas recent leerde ik de oorlog in een breder perspectief te plaatsen. Onder andere dankzij journalist en historicus Chris de Ploeg, die in zijn trilogie De Grote Koloniale Oorlog laat zien dat de Tweede Wereldoorlog niet zozeer een botsing was tussen een goed Westen en een uniek kwaad fascisme, maar het moment waarop het geweld dat Europa al eeuwenlang in de koloniën uitoefende, terugsloeg op het continent zelf.
De nazi’s lieten zich expliciet inspireren door eerdere westerse genocides: door de Duitse vernietigingsoorlog tegen de Herero en Nama in Namibië, door de Italiaanse concentratiekampen in Libië, en door de Amerikaanse uitroeiing van de oorspronkelijke bevolking. Genocides die Hitler tot voorbeeld nam voor zijn plannen om Oost-Europa te ontvolken en te koloniseren. ‘Het koloniale geweld en de genocides waren een inspiratiebron voor de georganiseerde moord op Europese joden door nazi-Duitsland’, vat De Ploeg het samen in zijn artikel op het online platform OneWorld. Fascisme is in zijn analyse geen breuk met de westerse beschaving maar de logische radicalisering ervan.
Dit is niet wat ik vroeger op school leerde. En hoewel we de geschiedenis niet kunnen veranderen, lijkt begrip en erkenning van onze rol daarin me wel een voorwaarde om op een goede manier in het heden te staan.
Om het verleden te herdenken.
Om vrijheid echt groot te maken.
Om geloofwaardig te kunnen zeggen: ‘Nooit meer is nu’.
**
‘Niemand is vrij totdat we allemaal vrij zijn’
Een zin die al klopte voordat ik hem helemaal begreep.
Hij is van burgerrechtenactivist Fannie Lou Hamer (1917-1977). Voor haar was dit geen gezellige tegeltjeswijsheid.
Zij was de jongste van twintig kinderen en werkte decennialang in armoede als pachter op de katoenvelden in Mississippi. Ze deed haar uitspraak ‘Nobody’s free until everybody’s free’ in 1971 in Washington tegenover een zaal vol overwegend witte, geprivilegieerde feministen. Ze confronteerde hen met het feit dat een systeem van uitsluiting iedereen beschadigt, ook degenen bovenaan de ladder. Je bent nooit echt vrij zolang je toelaat dat de rechten van een ander worden geschonden.
Het Nationaal Comité 4 en 5 mei schrijft in zijn beleidsplan dat onze vrijheid ‘als het ware gestold is’ in onze instituties. Voor Hamer was de overheid geen beschermer maar een onderdrukker. Het waren de politie van Mississippi, de plaatselijke rechtbanken en de Jim Crow-wetten die haar en haar gemeenschap dagelijks onderdrukten, juist op het moment dat ze zich op de wet probeerden te beroepen. Vrijheid was voor Hamer niet iets wat de staat haar aanreikte, maar waarvoor ze de staat moest bevechten.
Voor mensen die in Nederland te maken hebben met institutioneel racisme of destructief overheidsbeleid, is dat geen exotische gedachte uit een ander land en een andere tijd. Het is een dagelijkse realiteit.
Hamer wist ook dat vrijheid voor onderdrukten niet via harmonie en gezellige maaltijden verkregen wordt, maar door botsing. Haar verzet was een aaneenschakeling van ontregelende acties. Toen zij zich in 1962 wilde registreren als kiezer, reageerde het systeem met ontslag, uithuiszetting en zware politiemishandelingen. Ze richtte een politieke partij op en eiste namens die partij een plek op tijdens de Democratische Conventie in Atlantic City. Ze beschreef daar in de live-uitzending op nationale televisie hoe ze in een gevangenis in Mississippi halfdood was geslagen omdat ze andere zwarte Amerikanen had geholpen zich als kiezer te registreren. President Johnson belegde halsoverkop een persconferentie om zo de uitzending te onderbreken, maar de netwerken zonden haar getuigenis ‘s avonds alsnog uit.
Hamer zou de huidige ontwikkelingen in Nederland met argusogen bekijken: een land waar de steun voor het demonstratierecht onder burgers afneemt omdat ze niet in de file willen staan en vinden dat demonstreren niet past bij een herdenking. Maar protest is bedoeld om te verstoren. Het is het enige middel dat overblijft als instituties niet luisteren.
Maar het sterkste wat we kunnen leren van Hamers uitspraak is dat een systeem dat ongelijkheid in stand houdt, iedereen onvrij maakt. Ook de onderdrukkers. De witte plantagehouder is volgens Hamer net zo verziekt als het systeem dat hem die positie geeft. En de witte feminist die in een zaal in Washington naar haar zat te luisteren, is ook niet werkelijk vrij zolang zij haar vrijheid over de ruggen van Hamer en miljoenen anderen heeft opgebouwd.
Zolang Nederlanders met een migratieachtergrond dagelijks discriminatie ervaren, zolang vluchtelingen hier geen fatsoenlijke opvang krijgen, zolang mijn welvaart gebouwd is op de uitbuiting van Bangladese arbeiders die mijn kleding naaien, op de Congolese mijnwerkers die het kobalt delven voor de laptop waarop ik dit essay schrijf, zolang we wapens kopen die het predikaat battle tested dragen omdat ze getest zijn op Palestijnen, zijn wij niet vrij. Niet uit medelijden. Maar omdat een systeem dat anderen hun vrijheid afpakt, iedereen verziekt, ook ons.
**
In de nacht van 3 op 4 mei werd op het monument op de Dam met rode verf groot het woord ‘genocide’ geschreven. Politici van links tot rechts haastten zich om hun afschuw uit te spreken.
Ook premier Jetten, die trots selfies maakte tijdens de Rode Lijn, maar die sinds hij premier is nog geen enkele keer het genocidale geweld van Israël serieus heeft veroordeeld, laat staan sancties oplegde, plaatste een verontwaardigde tweet.
Dat deed hij niet toen het Israëlische leger in internationale wateren met geweld activisten van de flotilla ontvoerde en mishandelde. Twee Nederlandse bemanningsleden kwamen zondagavond met zichtbare verwondingen aan op Schiphol. Een Braziliaanse en Spaanse activist zitten nog vast.
De Telegraaf schrijft op maandag over de ‘bekladding’ van het monument op de Dam. Over de boze reacties. Over de schoonmakers die in een ‘race tegen de klok’ moeten zorgen dat er ‘s avonds tijdens de Nationale Herdenking geen sporen meer te zien zijn.
De reactie van geschiedkundige Nadia Bouras haalde De Telegraaf niet:
‘Het zou van moed en realiteitszin hebben getuigd als de nationale herdenking was doorgegaan met een ‘besmeurd’ monument, als tastbare herinnering aan de belofte die politici stelselmatig naast zich neerleggen.’
Dat mensen zo verontwaardigd zijn over de bekladding van het monument is niet alleen pijnlijk omdat ze zo oorverdovend stil zijn over genocide. Maar ook vanwege het verhaal van het monument: op de achterkant ervan staat een gedicht van Adriaan Roland Holst dat een ander verhaal vertelt over bevrijding:
‘Maar geest brak wet en stelde op de geslagen bres de mens’.
De activisten met de rode verf deden precies wat het gedicht bezingt. Het is een ode aan wie de wet van de onderdrukker durft te doorbreken.


