Onbekende mannenhanden
Over een gedicht voor de Eerste Kamer
Gister stond ik voor de Eerste Kamer met een gedicht. Home van Warsan Shire, in de Nederlandse vertaling van Radna Fabias. Een gedicht over waarom mensen vluchten. Ik wilde het voorlezen op de plek waar op dat moment werd gedebatteerd over wetten die een bestaan zonder papieren strafbaar maken.
‘Niemand verlaat zijn thuis tenzij thuis de bek van een haai is.’
We waren met een flinke groep. Vluchtelingen uit azc’s, activisten, bezorgde burgers. Er werden toespraken gehouden. Sterke teksten over waarom we er stonden, waarom deze wetten onmenselijk zijn. Wetten waarover de Raad van State, de Nationale Ombudsman, de Kinderombudsman, kerken, advocaten en ruim 117.000 petitie-ondertekenaars zeggen: niet doen. De kritiek is zo overweldigend dat ik voor het eerst een protestbordje met voetnoten had gemaakt, om de nog twijfelende senatoren te overtuigen met de feiten.
Al bij aankomst op de locatie ontstond er discussie. Een man die bij de Eerste Kamer hoorde - geen beveiliger, vermoedelijk een portier - wees ons erop dat het plein voor de ingang privéterrein is. Dat klopt. Maar het uitgangspunt in het demonstratierecht is dat demonstranten zelf kiezen waar ze demonstreren. Dat mag ook op privéterrein. Je zou denken dat iemand die voor de Eerste Kamer werkt, onderdeel van de democratie, onderdeel van de rechtsstaat, dat zou weten.
Na de toespraken is het mijn beurt. Ik haal het gedicht uit mijn tas, zet mijn leesbril op, pak de megafoon. Terwijl ik het gedicht introduceer, voel ik een harde duw in mijn rug. Onbekende mannenhanden duwen me weg van de plek waar ik grondrechtelijk mag staan.
Ik lees door.
‘Je rent pas naar de grens als je de hele stad ook ziet rennen.’
Terwijl ik de eerste regels van het gedicht lees, blijven de handen duwen in mijn rug. Het zijn niet alleen de handen van die ene agent. Het zijn ook de handen van de burgemeester, de minister van Justitie, premier Jetten, de rechtse meerderheid die zich niets aantrekt van grondrechten. Niet die van demonstranten, niet die van vluchtelingen.
‘Niemand zet zijn kinderen in een boot, tenzij het water veiliger is dan het land.’
Het is al de vierde keer deze maand dat ik dit meemaak. Bij de Israëlische ambassade werden we honderd meter verderop gezet. Bij de Tweede Kamer werden we tot twee keer toe weggestuurd. Telkens kort na aanvang van het protest. Telkens met de dreiging van geweld. En nooit met een duidelijke, geldige reden.
Volgens de Wet openbare manifestaties (artikel 2 WOM) mag een burgemeester een demonstratie alleen beperken vanwege bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden (die verkeersgrond komt in het EVRM overigens niet eens voor als geldige reden).
Elke beperking moet bovendien noodzakelijk en proportioneel zijn. Er moet een concrete, individuele beoordeling per demonstratie plaatsvinden. Geen standaardregels, geen vaste maxima. Op niet-openbare plaatsen (zoals privéterrein, artikel 8 WOM) kan de burgemeester nog minder: geen voorafgaande beperkingen, alleen de demonstratie tijdens de uitvoering beëindigen, en dan uitsluitend ter bescherming van de gezondheid of ter bestrijding van wanordelijkheden. De verkeersgrond, die dus sowieso al dubieus is, valt daar zelfs weg.
Toch werden we hardhandig weggeduwd. Middenin een gedicht.
‘Niemand zou zijn thuis verlaten tot thuis een stem in je oor is die zegt – vertrek, ren, nu. Ik herken mezelf niet meer.’
Ik stond gister voor de Eerste Kamer met een gedicht in mijn handen en onbekende mannenhanden in mijn rug. Ik heb geen enkele senator gezien.
Voor een uitgebreid verslag met foto’s van de demonstratie, de toespraken en de voordracht van het gedicht lees het beeldverslag op Doorbraak.


