Wat is daarop uw antwoord?
Over demonstreren in voor- en tegenspoed
Op mijn trouwdag, op een steenworp afstand van het sjieke hotel Des Indes waar ik vijftien jaar geleden zat te high tea-en met mijn kersverse echtgenoot, sta ik met een protestbordje voor de achteringang van de Eerste Kamer. Ik demonstreer tegen de asielwetten van Faber. Een week eerder was het debat. Vandaag wordt erover gestemd.
Ik sta in mijn eentje bij de ingang van het plein. Aan de overkant van de weg staat een grotere groep demonstranten.
Er komt een agent op me af.
Hij vraagt of ik bij de demonstratie hoor. Die is goedgekeurd door de burgemeester. Dan moet ik aan de overkant gaan staan. Op de aangewezen plek. Of, als ik een eenmansdemonstratie ben, dan moet hij ‘even de lijn volgen’ om te zien of ik hier mag blijven staan, en waarschijnlijk moet ik dan ook verplaatsen en gaan ze kijken of ze me daar een handje bij moeten helpen.
Een handje helpen. Eufemistische politietaal voor geweld gebruiken.
Ik zeg dat ik al was afgehaakt bij het woord ‘goedgekeurd’. Dat een demonstratie niet goedgekeurd hoeft te worden.
Jawel, zegt hij, dat doet de burgemeester.
Nee, zeg ik, niet volgens het demonstratierecht.
De agent vindt dat ik naar de overkant moet. Hij gooit het over een andere boeg. Hij zegt dat ik hier niet mag staan, ‘want dit is eigen terrein’. Volgens mij sta ik nog niet eens op het terrein van de Eerste Kamer, maar waar de erfgrens precies loopt weet ik niet. Dus ik zeg dat je volgens het demonstratierecht ook op eigen terrein mag demonstreren, en dat hij me alleen weg mag sturen als de burgemeester een beperking heeft opgelegd die voldoet aan de toets van het demonstratierecht.
Hij zegt dat hij geen discussie met me wil aangaan. Ik moet nu kiezen: hoor ik bij die groep aan de overkant of ben ik een eenmansdemo?
Ik twijfel.
De demonstratie is georganiseerd door heel veel organisaties samen, maar bij welke hoor ik? En ben ik verplicht dat te zeggen? Als ik een eenmansdemo ben, zegt hij, dan moet hij mijn legitimatie zien.
Waar is Trees als je haar nodig hebt, denk ik, die weet wel wat je tegen zo’n snotneus moet zeggen.
Vanuit mijn ooghoek zie ik dat een tweede agent schuin achter me komt staan.
Ik wil mijn legitimatie niet laten zien. Ik vraag waarom dat moet, ik mag toch ook anoniem demonstreren? Nee, zegt hij, want het demonstratierecht geldt niet voor eenmansdemonstraties.
Nu heeft hij opeens wel verstand van het demonstratierecht.
Het klopt dat een eenmansactie niet valt onder de Wet openbare manifestaties. Maar het vorderen van een ID heeft daar niets mee te maken. De politie mag alleen om een ID vragen als daar een geldige reden voor is. En vreedzaam demonstreren is nooit een geldige reden voor een ID-controle. Een eenmansprotest valt onder de vrijheid van meningsuiting. Ik hoef me niet te melden en ik mag zelf bepalen waar ik wil staan.
Ik weet dat ik gelijk heb. Maar hij heeft het geweldsmonopolie. En in Den Haag wint die laatste altijd.
Met veel tegenzin en woede loop ik naar de overkant. Ik wilde dat ik een held was. Dan was ik blijven staan. Dan had ik stoer op de grond gespuugd en gezegd: ik heb het recht om hier te staan, snotneus!
Maar ik weet hoe dat afloopt.
Ik kijk toe hoe een andere demonstrant, die net als ik in zijn eentje vreedzaam bij de ingang staat, door dezelfde agent hardhandig wordt weggesleept naar een verderop geparkeerd busje waar hij wordt gearresteerd en afgevoerd.
Na afloop van de demonstratie loop ik boos naar huis. Ik loop boos langs Des Indes waar ik vijftien jaar geleden in een champagnekleurig jurkje op het balkon stond. Waar in de Tweede Wereldoorlog de nazi’s hun hoofdkwartier hadden en waar ook Joodse onderduikers verstopt zaten die op de vlucht waren voor het regime.
Thuis zie ik dat de asielwetten zijn weggestemd. Niet omdat ze onmenselijk of onuitvoerbaar zijn. Omdat de PVV ze niet streng genoeg vond.


